1920 - 1940

In het begin van de jaren twintig ondervond Fiat veel problemen; deze werden deels veroorzaakt door de politieke en sociale conflicten van na de eerste Wereldoorlog: in de jaren 1919-1920 organiseerde de Communistische Partij grote stakingen die werden geleid door Antonio Gramsci en Palmiro Togliatti (die nog een stad naar zich genoemd kreeg. De Communistische Partij nam de leiding van een groot deel van de fabrieken over maar tot een succes kwam dit niet echt.

Giovanni Agnelli 1Giovanni Agnelli werd in 1920 benoemd tot bestuursvoorzitter en slaagde er in Fiat weer op de rit te krijgen. Er moest daarvoor wel stevig in de kosten worden gesneden. Door al deze ontwikkelingen werd de nieuwe fabriek in Lingotto, die al in 1917 was opgeleverd, pas in 1923 werkelijk in vol bedrijf genomen. Lingotto stond model voor de veranderende tijden: de lopende band werd geintroduceerd en er kwamen nieuwe werkprocessen tot stand. Het was in die periode ook de grootste autofabriek ter wereld!

Onder het bewind van Agnelli breidde Fiat rond 1922 zijn activiteiten uit naar civiele luchtvaart en werd "Grandi Motori" opgericht, voor de bouw van scheepsmotoren. De AL dubbeldekker vliegt dat jaar voor het eerst.

 

Tussen 1921 en 1929 worden veel nieuwe modellen geintroduceerd in de 5** serie: de 503, 509, 520, 514 en de 525. De SuperFiat 519 met 6-cilinder motor is daar een topstuk van. In 1928 heeft Fiat een wereldprimeur met de montage van aluminium cilinderkoppen op een auto in serieproductie. 

Fiat 5xx series 

De fans van Guust Flater zullen de Fiat 509 zeker herkennen als de auto van Guust.

Fiat 1014 1929

De 1014, een kleine truck met dubbele transmissie en 3 assen was zeer populair vanwege zijn off-road kwaliteiten.

 

 

 

 

 

 


Italië wordt mobiel; de vraag naar vervoersmiddelen stijgt en Fiat ontwikkelt de “Littorina”, een bustrein, treinbus, tram met neus? Geef hem maar een naam. De Engelsen noemen het een railcar. De Littoria werd ingezet op trajecten waar vooral licht treinvervoer nodig was en werd oorspronkelijk aangedreven door een benzinemotor, later door een dieselmotor. In sommige gevallen had hij twee motoren, op iedere bogey een. Ik zal er nog wel eens een artikel over schrijven.

Fiat littorina Fiat Littorina

Tussen 1930 en 1935 komen er 15 nieuwe modellen van Fiat uit. En daar zitten latere beroemdheden tussen als de 500 Topolino, die Italië motoriseerde.

Fiat 500a Topolino

 

 Fiat 518 Ardita 2000  Fiat 527 Ardita 2500 1934
Fiat 500a Topolino met zijklepmotor, Fiat 518 en 527 Ardita

De 508C Balilla was heel populair en in veel carrosserievormen beschikbaar, van normale Sedan, via Coupé en Cabriolet tot Furgone. De luxere modellen 518 en 527 Ardita werden goed verkocht.

Rond 1932 kwam de eerste Fiat rupstractor, de 700C, op de markt en werd een redelijk succes. Hier staat wat meer info over Fiat in landbouw en grondverzet. Het is een artikel in ontwikkeling, dus kom regelmatig langs om de voortgang te zien.

Een leuk feit voor erbij is het snelheidsrecord dat Francesco Agello in 1934 behaalde met een door een Fiat AS6 aangedreven Macchi-Castoldi M.C.72: 709.209 kilometers per uur. Een wereldrecord voor watervliegtuigen met propelloraandrijving dat nog steeds ongebroken is. Voor de fans: De AS6 is een 24 cilinder watergekoelde V motor met 4 kleppen per cilinder en dubbele bovenliggende nokkenassen. Ruim 50 liter inhoud en een (piek)vermogen van 2800pk.

Macchi Castoldi 72 Francesco Agello Macchi Castoldi 72 Francesco Agello show

Macchi Castoldi 72 Francesco Agello motor

De jaren 30 werden ook de jaren van de vooruitgang: alles moest er moderner uit zien dus auto's werden meer gestroomlijnd. De 1500 van 1935 is daar een mooi voorbeeld van

Fiat 1500-1935Het was een succesvol model dat tot 1948 in productie is geweest. Het weggedrag was, mede door de plaatsing van de wielophanging, erg goed. De auto werd ontworpen door Dante Giacosa en was een van de eersten die in een windtunnel werd getest. Tijdens de levensduur van het model vonden er diverse facelifts en technische verbeteringen plaats maar pas in 1949 werd een echte aanpassing aan de carrosserie gedaan en kreeg de auto een andere neus.

 

 

 

Ook treinen en vliegtuigen moesten er aan geloven. En Fiat deed daar aan mee met onder andere de ATR 100.

Fiat ATR 100 1ATR stond voor "Autotreno Rapido". Deze treinstellen bestonden uit een locomotief met twee wagons er achter. Het waren op dat moment de topmodellen op het spoor. De Italiaanse spoorwegen (F.S.: Ferrovie della Stato) bestelde er 9 van: ATR 101, de eerste, werd in 1936 tentoongesteld in Milaan en kwam het jaar daarna in gebruik, gevolgd door nog 8 andere, ATR 102 t.m. ATR 109 die allemaal voor het eind van 1937 geleverd werden. Treinbouw zonder vertraging is ook mogelijk in Italië!

 

 

 


Fiat ATR 100 2

De ATR's werden aangedreven door twee Fiat 44.5 liter V12 dieselmotoren met ieder meer dan 350pk. Daarmee konden hoge snelheden worden behaald: boven de 160 km/uur tijdens testen. Onder normaal gebruik bleef de snelheid beperkt tot maximaal 120 km/u. Een treinstel van 60 meter bestond uit eerste klas (met 36 zitplaatsen) en tweede klas (met 42 zitplaatsen), beide met aircondtioning. Er was ook een restaurant aan boord. Ze werden aangeprezen als "Treno di lusso". Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de treinen niet gebruikt:
5 werden gesloopt waarbij alles wat voor het leger bruikbaar was verdween. De andere 4 werden vernield in de loods waar ze stonden. De 5 gestripte treinstellen werden na de oorlog herbouwd maar zonder de luxe van voor de oorlog en met nieuwe motoren. Ze werden er zwaarder (van 92 ton naar 103 ton) en trager door. Maximum snelheid was nog maar 120 km/uur. Ze bleven in bedrijf tot ergens laat in de 50'er jaren. ATR 106 werd zwaar beschadigd door brand maar herbouwd. Begin jaren 60 zijn ze allemaal gesloopt. Voor de H0-liefhebbers onder ons is er wel een miniatuur-model te koop.

Fiat is erg succesvol en begint in 1937 met de bouw van een nieuw fabriekscomplex: Mirafiori. Het wordt twee jaar later, net voor de oorlog, geopend en was weer een voorbeeld qua productiemethoden. In het begin van de Tweede Wereldoorlog ging de productie van auto's flink omlaag. Die van oorlogsmaterieel - vrachtwagens,  pantsermateriaal, vliegtuigen en scheepsmotoren - steeg echter enorm.